Jongste broertje bij de overgebleven duif. Veel te grof gaas natuurlijk. Goed voor de kat.

In 1960 woonde ik met mijn ouders en drie broertjes in Raamsdonksveer. Bij ons thuis waren er altijd al kippen en er kwamen via mijn opa van éne mevrouw Staals een paar tuimelaartjes, zoals die door ons genoemd werden. Ze  droegen de vleugels onder de staart die ook nog in een redelijke hoek omhoog stond……. onze duiven waren dus Oosterse rollers, maar dat wisten we pas jaren later. De kleur was sierduivenrood.

Eén van de twee werd meteen door een kat door het gaas naar buiten getrokken. Gelukkig kwam er al vlug een andere. Het bleken twee duivinnen. In het kippenhok werd bovenin een broedhokje gemaakt en aan de buitenkant een vliegklep. Na enige tijd mochten ze naar buiten en ik kan me als de dag van gisteren herinneren dat de duiven voor het eerst naar buiten gingen en zelfs na enige tijd gingen vliegen en zelfs rollen.

Op een dag liep er een duif in de tuin die mijn vader ving in de schuur. Het bleek een doffer en ook nog in dezelfde kleur. Ik durf het nu wel te vertellen, want het vergrijp is al verjaard ; mijn vader heeft de ring van de doffer afgeknipt. Deze doffer had het naar zijn zin met onze twee dames en er kwamen dus eieren. Maar dat liep even mis. Bij gebrek aan een fatsoenlijke broedschaal was het inmiddels uitgekomen jong uit het nest geraakt. Hij bewoog niet meer, was koud en werd daarom in de vuilnisbak gegooid.  Eén van de broertjes keek nog één keer naar het piepertje en zag bij het openen van de vuilnisbak dat het snaveltje open en dicht ging. Het leefde nog!! Vlug moeder gehaald en die heeft het jong weer opgewarmd. De naam van het duifje werd “Vuilnisbak”. Vuilnisbak was het eerste jong en er zouden er nog vele volgen. Die werden weer weggegeven aan mensen in de buurt. Ook kwamen er op een dag twee rode capucijners aangevlogen. Die waren niet geringd en er meldde zich geen eigenaar. De duifjes werden weer losgelaten en ze bleven. Het duivenvirus had inmiddels twee slachtoffers gemaakt.

Onze buurman de heer Broeders had postduiven en er stonden regelmatig twee jongetjes over de heg te kijken naar deze prachtige duiven. Mijn broer en ik gaven ze namen, stonden te kijken als de jongen uitgewend werden, hielden onze adem in als de duiven van de vlucht thuis kwamen en probeerden het gefluit van de buurman na te doen. Later gingen we allebei postduiven houden. Een prachtige, geweldig spannende sport.

 

  • Duiven op de keukentafel in bad. Ging allemaal goed.

  • Kippenhok van mijn vader met bovenin een vliegklep voor de duiven.

  • Duiven in de tuin als voorgrond voor een familieportret.

In 1966 verhuisden we naar Putten op de Veluwe. Onze sierduiven gingen mee, ook al waren het er maar een paar. Ze werden al snel weer losgelaten en mochten de hele dag de buurt verkennen en dat deden ze dan ook. Onze tamme duifjes gingen door het slaapkamerraam van de overbuurvrouw naar binnen en bevuilden daar de beddensprei. Mijn moeder vond dat niks en de duiven moesten weg. Geen duiven meer. Dan maar tortelduiven. Hoe we er  aan kwamen weet ik eigenlijk niet meer, maar het was een leuk alternatief. Mijn broer en ik lieten ze los in de schuur en vermaakten ons prima. Ik heb nog wel geprobeerd om twee zoekende postduiven (ze zaten op de vensterbank) via het zolderraampje naar binnen te lokken, maar dat lukte niet.

Opnieuw werd er verhuisd en nu naar IJsselstein. We kwamen op een flat te wonen op de 4e woonlaag. Geen duiven dus. We hadden niets meer. Ik was inmiddels 16 jaar en had een bijbaantje bij de PTT en  liep in het centrum van Utrecht de post rond. Daar had iemand tortelduiven en ik kreeg er eentje mee, maar een duifje alleen is niet leuk, dus regelde ik bij een boer waar we melk haalden een doffertje. Eindelijk weer duiven. Ik had ze op mijn slaapkamer. Een paar jaar later verhuisden we naar een benedenflat en daar begon ik met het voeren van verdwaalde postduiven die waarschijnlijk op de kerk in de stad huisden. Hiervoor had mijn broer nog een duif gevangen in de kas waar hij werkte. Die duif zat in zijn eentje in een open doos met een stok erop gemonteerd zo in de berging en vocht met je hand alsof zijn leven er van af hing. Hij vloog nog uit ook. Die  mooie blauwe verdween weer naar zijn oude baas die blijkbaar vlak bij ons woonde.

Het voeren van verdwaalde postduiven begon met een prachtige Belgische blauwe doffer en een kras doffer. Die namen op een gegeven moment hun duivinnen mee en ook hun jongen. Er kwamen steeds meer verdwaalde wedstrijdduiven bij. Het waren er op een gegeven moment wel 40. Ik voerde ze broodkruimels die ik haalde bij de supermarkt. Ze zaten aan de overkant altijd op me te wachten. Als ze de klink van de keukendeur hoorden, kwamen ze naar beneden gezeild. Ik ging op de stoep zitten en zat binnen de kortste keren onder de duiven. Prachtig, maar van de ene op de andere dag was dit over. Kennelijk had de gemeente de duiven weggevangen, want er kwam er niet één meer. Ik was er helemaal kapot van.

In de tussentijd was er een grote vale doffer bij mij gebracht. Hij kon niet vliegen, want zijn schouder was uit de kom. Een hok had ik snel geregeld. Ik had namelijk bij het grofvuil een groot houten parkietenhok gezien en dat werd gauw achterop het fietsje meegenomen. Een doffer alleen verdient een duivin en toevallig liep er in mijn postwijk, nu in Montfoort, een krasduivin. Duiven kon en kan ik vangen als de beste en zo zat de duif al snel in de fietstas op weg naar zijn doffer. Even later werd er weer een doffer gebracht. Deze had een gebroken vleugel. Bij de verwilderde duiven die ik aan de overkant voerde, liep een mooi blauw duivinnetje. Die werd bij mijn doffer gezet. Allebei kwamen ze uit België. De buitenlandse duiven wisten mij te vinden: Duitse, Engelse, Franse, Belgische, één uit Wales en uiteraard ook Nederlandse. Ze werden genoemd naar de plaats van herkomst. Zo had ik  Ouderkerk,  Culemborg, Volendam, Urk, Tjalleberd, Frans, Duitse doffer, Duitse duivin etc.etc.

 

 

 

Klein hokje onder de flat.

Ik had een groter hok nodig en dat werd snel gebouwd. In de tussentijd had ik in de berging op de werkbank van mijn vader een hok in elkaar geklemd met wat gaas ervoor. Mijn liefde voor de postduif ging met mij op de loop.

Het nieuwe hokje werd aan de achterkant van de flat geplaatst. De duiven gingen er in en werden na korte tijd losgelaten. Hoe zouden ze het klepje van het hok kunnen vinden van 4 hoog zonder een echte aanvliegroute? Nou dat konden ze. Ze lieten zich loodrecht naar beneden vallen en maakten dan een haakse hoek om zo op het klepje te landen. 

Het hok was erg klein, 60 cm diep, 2 meter breed en 2 meter hoog. Aan beide zijkanten waren 4 planken aangebracht om 8 koppels onder te brengen. Op de bodem lag vloerdekkorrel. Een drinkbak op de grond kon niet, want het water werd dan veel te vies. Dus kregen ze één keer per dag drinken en dat was na het voeren. Ik ging alle duiven met een drinkbakje langs en liet ze drinken.

Uiteraard kregen de duiven jongen en al gauw werd ook dit hok weer veel te klein. Duiven weg doen, dat kwam in mijn woordenboek niet voor. Toch bleven de duiven kerngezond en vlogen ze elke dag hun rondjes.  

Mijn uitneembare nestbakken met zelfgemaakte hekjes. Nu met Oosterse rollers.

In 1980 trouwde ik en kreeg een eigen flat. Weer 4 hoog. Het hokje bij mijn ouders werd  te klein en ik wilde serieus met de postduivensport beginnen. Bij een boer kon ik voor 100 gulden een hok op zijn erf neerzetten. Van tweedehands hout “gevonden” op de bouw werd een hok gebouwd met een volledig open front. Geen glas dus. Niet ideaal. Toch kon ik in 1982 mijn duiven er op zetten. Ook heb ik toen zelf uitneembare nestbakken zitten maken met hekjes ervoor. Die heb ik nu nog in mijn hok. De duiven werden gekoppeld. De eerste jongen kwamen uit en met mijn "opvangers" werd zelfs al gevlogen. Wat was dat spannend. Niets is zo spannend als een duivenwedstrijd met je eigen duiven. Over mijn postduiventijd kan ik boeken vol schrijven. Ik zal u er niet mee vermoeien. Eén hoogtepunt dan. Dat was mijn snelste duif van Duffel. In 53 minuten thuis van 110 kilometer. Dat was dus 128 km/uur. Mijn hart bonkte in mijn keel toen de “28”over vloog. Een dochter van Volendam en Frans. De eerste prijs in mijn debuutjaar? Vergeet het maar. Eén duif was net iets sneller.

Nog één hoogtepunt dan. Drie duiven binnen 5 minuten thuis van St.Vincent (1050 km). De eerste drie prijzen in de kring!!!!